• Bergschenhoek: 010 - 20 41 500
  • Duiven: 0316 - 28 14 55
  • info@swart.nl

Regels en richtlijnen

De open handelsgrenzen binnen Europa manifesteren zich steeds duidelijker door de Europese wetgeving en normen. Zo zijn de Europese Machinerichtlijn en Arbeidsmiddelenrichtlijn volledig in de Nederlandse wetgeving geëmplementeerd. Dat wil zeggen dat deze richtlijnen in Nederland dienen te worden nageleefd.

De genoemde Europese wetten regelen de veiligheid van machines en hijsgereedschappen die op de Europese markt worden gebracht en worden gebruikt.

EG-Machinerichtlijn
De Europese Machinerichtlijn is sinds 1 januari 1995 van kracht. De laatste versie (2006/42/EG) van de richtlijn is in de Nederlandse wetgeving opgenomen in de Warenwet door het Warenwetbesluit Machines.

Deze EG-richtlijn richt zich op de fabrikant van de machine of hijsgereedschappen en geeft in hoofdzaak constructie- en gebruiksvoorschriften. De fabrikant moet de door hem gemaakte "machine" toetsen aan de veiligheidseisen van de richtlijn voordat hij deze in de handel brengt.

Vervolgens moet hij passende veiligheidsmaatregelen nemen en instructies geven voor veilig gebruik van de machine en hijsgereedschappen. Als bewijs voor het voldoen aan de eisen brengt hij de CE- markering aan.

Machines en hijsgereedschappen die na 1 januari 1995 voor het eerst in de handel zijn gebracht moeten aan deze richtlijn voldoen.

EG- Arbeidsmiddelenrichtlijn
Op het terrein van de veiligheidszorg (onderhoud en inspectie) van de arbeidsmiddelen is er de Europese Arbeidsmiddelenrichtlijn. Arbeidsmiddelen zijn alle op de arbeidsplaats gebruikte machines, installaties, apparaten, transportmiddelen en gereedschappen.

De richtlijn richt zich op de gebruiker van machines of hijsgereedschappen, of degene die verantwoordelijk is voor het veilig gebruik ervan. In veel gevallen is dit de werkgever. De richtlijn is in Nederland opgenomen in het Arbeidsomstandighedenbesluit.

De werkgever heeft ten opzichte van de veiligheid van zijn werknemers een eigen verantwoordelijkheid. Hij moet onder andere zorgen voor veilige arbeidsomstandigheden. Daartoe behoren ook veilige arbeidsmiddelen. De werkgever moet daarom machines en hijsgereedschappen aanschaffen die in een bepaalde arbeidssituatie voldoende veilig zijn. Verder moet hij voldoende instructie (laten) geven voor juist gebruik van de machine, toezien op het veilig gebruik, enzovoorts.

De EG- Arbeidsmiddelenrichtlijn is zo opgezet dat ieder Europees land zijn nationale systeem van veiligheidszorg kan handhaven.

Arbeidsomstandighedenbesluit
In het Arbobesluit zijn de minimumvoorschriften van de EG- Arbeidsmiddelenrichtlijn direct overgenomen. Er zijn derhalve geen eisen opgenomen, die van een hoger niveau zijn dan deze minimumvoorschriften. Alle arbeidsmiddelen dienen aan dit besluit te voldoen.

Hoofdstuk 7 van het Arbobesluit bevat voorschriften waaraan moet worden voldaan bij de aanschaf en de ter beschikkingstelling van arbeidsmiddelen aan de werknemers. Tevens zijn hierin voorschriften die betrekking hebben op het onderhoud en de periodieke keuringen opgenomen, die ten doel hebben de gevaren bij het gebruik van arbeidsmiddelen te beperken.

Het is hierbij van belang te vermelden dat:
"Alle arbeidsmiddelen (en dus ook hijs- en hefwerktuigen) die ter beschikking staan van de werknemers op de arbeidsplaats moeten, ongeacht de fabricagedatum, voldoen aan de in de EG-Machinerichtlijn opgenomen specifieke voorschriften voor deze arbeidsmiddelen".

1.1 Toelichting waarom keuringen
Het in Nederland sinds 1939 voor hijsgereedschappen gehanteerde keuringsysteem, waarvan de trekinrichtingen een essentieel onderdeel uitmaken, heeft ervoor gezorgd dat regelmatig gekeurde hijsgereedschappen zelden de aanleiding zijn van ongevallen.

Op het gebied van nationale wet- en regelgeving is de laatste decennia veel gebeurd, voornamelijk geënitieerd door Europese wetgeving. In Nederland zijn nu de wettelijke eisen die gelden voor hijs- en hefgereedschappen vastgelegd in het Arbeidsomstandighedenbesluit, waarin onder meer wordt bepaald:

'Hijs- en hefgereedschap wordt tenminste 1x per jaar door een deskundige natuurlijke persoon, rechtspersoon of instelling op zijn goede staat onderzocht, waarbij het zo nodig wordt beproefd. Deze persoon of instelling beschikt over de daartoe benodigde uitrusting'.

De gewijzigde wetgeving is zoals eerder opgemerkt tot stand gekomen door de Europese wetgeving. Daarbij moet worden vastgesteld dat in de Europese Akte van 1987, in art. 118a is vastgelegd:

'De lidstaten zullen zich beijveren om verbetering van het arbeidsmilieu te bevorderen'.

Essentieel is daarbij dat wordt gestreefd naar een gelijk minimaal veiligheidsniveau van arbeidsomstandigheden en arbeidsmiddelen. Om dit te bereiken wordt in Europese normen aangegeven hoe dit kan worden bereikt.

Met nadruk wordt echter in hetzelfde art. 118a gesteld:

'De op basis van dat artikel vastgestelde bepalingen mogen niet beletten dat een lidstaat een hogere graad van bescherming handhaaft'.

Rol van de EKH

De EKH voelt zich als vertegenwoordiger van keurbedrijven voor hijs- en hefmiddelen verantwoordelijk om de binnen Nederland gebruikelijke hoge graad van bescherming te handhaven.

Daarom probeert de EKH sinds zijn oprichting de deskundigheid bij de individuele leden te vergroten. Hiertoe hanteren EKH-leden stringente werkvoorschriften, waarin staat voorgeschreven welke handelingen moeten worden uitgevoerd bij de herkeuring van hijsgereedschappen.

Tevens onderzoekt de EKH, voortdurend, welke keurmethoden noodzakelijk zijn om ten aanzien van hijs- en hefmiddelen de "hoge graad van bescherming" binnen Nederland te handhaven.

1.1.1 Mogelijke gebreken

De staalsoorten, die voor de fabricage van hijsgereedschappen de afgelopen eeuw werden gebruikt, zijn sterk veranderd. Momenteel worden voor de fabricage van hijsgereedschappen veelal hoogwaardig gelegeerde staalsoorten gebruikt. Hierdoor zijn materiaalgebreken, zoals bijvoorbeeld de verouderingsgevoeligheid van het materiaal, praktisch uitgebannen. Voor veel onderdelen betekent het echter wel dat de toegepaste materiaalspanningen zijn toegenomen.

Hierdoor zijn ook voor deze modern gefabriceerde hijsgereedschappen oorzaken te noemen die de betrouwbaarheid terug laten lopen waardoor verder gebruik niet langer verantwoord is.

De belangrijkste oorzaken van teruglopende betrouwbaarheid zijn:

  • vervorming (ontstaan door overbelasting of verkeerde belasting)
  • slijtage (ontstaan door veelvuldig of ruw gebruik)
  • corrosie (ontstaan door milieu of verhitting)
  • beschadiging (ruw gebruik)
  • chemische aantasting (materiaalkeuze niet afgestemd op milieu)
  • vermoeiing (hoge belasting en/of veelvuldig gebruik)
  • fabricagegebreken (onvolledig doorlassen en materiaal onvolkomenheden)

1.1.2 Toegepaste keurmethoden

Met de keurmethoden die kunnen worden gebruikt, dienen deze gebreken te worden ontdekt om veilig gebruik te kunnen garanderen. Hiervoor kunnen worden toegepast:

- Visueel/ meten
Vervormingen, slijtage, corrosie en beschadigingen zijn defecten die goed visueel zijn waar te nemen. Door te meten zijn deze invloeden zelfs te kwantificeren. Voor veel hijsgereedschappen, met name kettingwerkproducten, gelden echter vrij grote maattoleranties, die het gevolg zijn van de "ruwe" fabricagemethode (smeden, drop-forge, gieten, etc.).

- Scheuronderzoek
Microscheuren komen in smeed- en gietproducten en warmtebehandeld staal voor. Microscheuren zijn met het blote oog niet of minder goed waarneembaar. Ook materiaalvermoeiing is oorzaak van het ontstaan van microscheuren. Vermoeiing geldt als een van de voorkomende materiaaldefecten bij hijsgereedschappen.

Methoden die kunnen worden gebruikt zijn:

  1. Penetrerende-vloeistofinspectie;
  2. Magnetische inspectie;
  3. Wervelstroominspectie.

Trekproef
Visuele beoordeling, eventueel aangevuld met metingen en/ of scheuronderzoek biedt geen 100 % zekerheid over de goede staat van een hijsgereedschap en een veilig voortgezet gebruik!

De trekproef met een gecontroleerde overbelasting (voor kettingwerk meestal 2-voudig) biedt een vangnet voor onjuist of onvoldoende nauwkeurig uitgevoerde inspecties. Niet gedetecteerde gebreken zoals materiaalscheurtjes die over het hoofd zijn gezien, onzichtbare materiaal- of lasfouten kunnen in sommige gevallen door de trekproef ontdekt worden. Hetzelfde geldt voor verzwakkingen ontstaan tijdens het gebruik door bijvoorbeeld chemische- of thermische invloeden. Ervaringen en gegevens uit de praktijk bewijzen de toegevoegde waarde van de trekproef in dit kader.

Op de materiaalvermoeiing heeft de trekproef een niet weg te cijferen positief aspect. Door het verschijnsel van "crack closure", zal de kwaliteit van het materiaal niet verslechteren, maar wellicht zelfs verbeteren door een verlaagde scheurgroeisnelheid.

Toelichting:
Na het uitoefenen van een gecontroleerde overbelasting sluiten de microscheuren, die zijn ontstaan door gebruik of fabricage. Dit verschijnsel wordt in de metaalkunde aangeduid met "crack closure". Bij scheurtjes van enige importantie zal door het uitoefenen van een gecontroleerde overbelasting rond de scheurtip vervorming optreden, waardoor het scheurgroeiproces in het gebruik zal worden vertraagd, dit verschijnsel wordt aangeduid met "blunting".

De trekproef, uitgevoerd met een grotere kracht dan de maximale werklast, krijgt hierdoor een toegevoegde waarde.

De trekproef controleert niet alleen de huidige sterkte, maar kan de resterende levensduur van het materiaal ook nog eens verlengen.

Wanneer geen trekproef uitgevoerd wordt is de kwaliteit van het onderzoek afhankelijk van de kwaliteit van het onderzoekend personeel.

Een foutje kan dan niet meer door de trekproef opgevangen worden. Het vangnet ontbreekt, wat een ongewenste situatie is. De trekproef past ook in een tijdperk van moderne materialen zeer goed en is absoluut noodzakelijk om de hoge graad van bescherming die wij in Nederland gewend zijn, te handhaven.